Ken je dat gevoel? Je loopt langs een school in je buurt en ziet die bekende, wat sjofele stemhokjes in de gymzaal.
▶Inhoudsopgave
Buiten staan wat ouderen te roken en jongeren op hun telefoon te kijken. Het voelt een beetje alsof je een verplichte activiteit moet doen, maar tegelijkertijd is het een van de belangrijkste dingen die je kunt doen in een democratie. In Nederland is de opkomst bij verkiezingen een verhaal vol pieken, dalen en een constante zoektocht naar betrokkenheid. Laten we eens duiken in hoe dat is gegaan, zonder saaie grafieken, maar met de echte verhalen achter de cijfers.
De gouden jaren: toen stemmen vanzelfsprekend was
Terug naar de jaren zestig en zeventig. In die tijd was de opkomst bij verkiezingen in Nederland extreem hoog. We hebben het dan over percentages die makkelijk richting de 90 procent gingen.
Het was bijna ondenkbaar om niet te stemmen. Waarom? Nou, de samenleving was simpelweg anders.
De verzuiling was nog volop aan de gang; je hoorde bij een groep. Of je nu katholiek, protestants, socialistisch of liberaal was, je identiteit hing samen met je stemgedrag.
Partijen zoals de KVP, de ARP en de PvdA waren niet zomaar een logo op een stembiljet; ze waren een levensstijl. Als je vader lid was van de vakbond, dan stemde je op de PvdA. Als je naar de kerk ging, stemde je op een christelijke partij.
Er was weinig ruimte voor twijfel. Je ging naar de stembus, net als dat je naar de kerk ging of je krant las.
Het was een sociale verplichting. De opkomst was dus hoog omdat de maatschappelijke druk groot was en de keuze vaak al generaties lang werd bepaald.
De jaren tachtig en negentig: de kentering
Vanaf de jaren tachtig begon er wat te schuiven. De verzuiling brokkelde af. Mensen werden individualistischer.
De klassieke zuilen zoals de Rooms-Katholieke Kerk en de socialistische bonden verloren hun greep op de dagelijkse levens van mensen.
Dit had direct effect op de opkomst bij verkiezingen. Het percentage daalde langzaam maar gestaag. In de jaren negentig zagen we percentages verschijnen die rond de 75 tot 80 procent schommelden.
Het was niet meer die vanzelfsprekendheid. Mensen begonnen zich af te vragen: "Wat levert het me op?" De politiek werd minder over identiteit en meer over inhoud. Tegelijkertijd ontstond er een nieuwe groep kiezers: de zwevers. Mensen die niet meer vastzaten aan een traditie en elke verkiezing opnieuw keken welke partij het beste bij hun huidige ideeën paste.
Het digitale tijdperk en de vlucht naar voren
Met de komst van het internet veranderde er nog meer. Informatie werd toegankelijker, maar ook complexer.
Partijen zoals D66 en later GroenLinks trokken nieuwe groepen aan, vooral hoger opgeleiden en jongeren. Tegelijkertijd ontstond er een gevoel van "ver van mijn bed show".
De landelijke politiek leek soms ver weg van de lokale problemen. Een interessant fenomeen in deze periode was de stabilisatie. Ondanks de individualisering bleef de opkomst redelijk constant. Dit kwam door een aantal slimme ontwikkelingen.
Denk aan de invoering van de stempas en de mogelijkheid om iemand anders machtiging te geven.
Maar ook de campagnes werden professioneler. Partijen als de VVD en het CDA investeerden veel geld in reclame en zichtbaarheid. De opkomst bleef hierdoor redelijk op peil, hoewel de absolute toppercentages van de jaren zestig niet meer werden bereikt.
De afgelopen jaren: een rollercoaster van emotie
Komen we aan bij de recente geschiedenis. De afgelopen tien jaar zijn een achtbaan geweest. We zagen een daling tot onder de 75 procent bij de Europese verkiezingen, maar opeens een piek bij de Tweede Kamerverkiezingen.
Neem de verkiezingen van 2017. De opkomst was plotseling veel hoger dan verwacht, met bijna 82 procent. De reden?
Een hoopvolle spanning en een verlangen naar verandering na jaren van Rutte-beleid. Maar in 2021 zagen we een lichte daling naar ongeveer 78 procent.
De coronapandemie speelde hier ongetwijfeld een rol, maar er was meer aan de hand. In 2023 en 2024 zijn de percentages een hot topic. De waterschapsverkiezingen en de Europese verkiezingen blijven steken rond de 50 tot 60 procent.
Dat is een groot verschil met de Tweede Kamerverkiezingen. Waarom stemmen mensen wel voor de landelijke politiek en niet voor de regionale of Europese?
Een belangrijke reden is de beleving van impact. Mensen weten dat een stem op een landelijke partij direct invloed heeft op wie minister-president wordt. Bij de waterschappen of het Europees Parlement voelt die link vaak abstract. Toch is dat onterecht, want juist deze verkiezingen bepalen over waterkeringen, natuur en grensoverschrijdende regels.
De rol van de jongere kiezer
De uitdaging is om die betrokkenheid te vergroten zonder te vervallen in oude, vermoeiende retoriek. Een specifieke groep die vaak ter sprake komt, is de jongere kiezer.
Jongeren tot 35 jaar stemmen historisch gezien minder vaak dan ouderen. Waarom?
Sommigen voelen zich niet gehoord, anderen zijn te druk met studie en werk, en een deel vindt de politiek te ingewikkeld of te grijs. Toch is er hoop. Bij de afgelopen Tweede Kamerverkiezingen was de opkomst onder jongeren hoger dan ooit tevoren.
Partijen zoals Volt en de Partij voor de Dieren hebben hier een rol in gespeeld door specifieke thema’s aan te snijden die jongeren raken, zoals klimaat en wonen. Het is een trend die we in de gaten moeten houden. Als de jongeren blijven stemmen, verandert de politiek mee.
Wat bepaalt of iemand stemt?
Er zijn een aantal vaste factoren die de opkomst beïnvloeden. Ten eerste het vertrouwen in de politiek.
Als mensen het gevoel hebben dat hun stem er niet toe doet, blijven ze thuis. Ten tweede de moeilijkheidsgraad van de verkiezing. Bij waterschapsverkiezingen is de taal vaak technisch en onduidelijk. Bij de Tweede Kamerverkiezingen is het een directe strijd om de macht.
Een derde factor is de campagne. Partijen die erin slagen om emotie los te maken, scoren beter.
Denk aan de "ons-kent-ons" sfeer van de PvdA in het verleden of de rechtse golf van nu.
Campagnes op sociale media, zoals op Instagram en TikTok, bereiken jongeren steeds vaker. Dit helpt de opkomst te verhogen, hoewel het ook kan leiden tot een kortere aandachtsspanne.
De toekomst van de Nederlandse opkomst
Wat betekent dit voor de toekomst? Gaan we terug naar de 90 procent of zakken we verder weg naar een Amerikaanse situatie waar 50 procent al hoog is?
Het antwoord ligt in de houding van de partijen zelf. De tendens is dat burgers mondiger worden.
Ze laten zich niet meer zomaar leiden door een zuil. Ze eisen duidelijkheid en resultaat. Dit betekent dat partijen harder moeten werken voor hun stemmen. De tijd van automatische stemmen is voorbij.
De opkomst zal daarom waarschijnlijk blijven schommelen, afhankelijk van hoe spannend of saai de politieke situatie is.
Er is ook een technologische ontwikkeling gaande. Digitale stembureaus en e-voting worden besproken, al is er in Nederland veel weerstand tegen vanwege de veiligheid. Toch zou een makkelijkere manier van stemmen de opkomst kunnen verhogen. Stel je voor dat je met een app op je telefoon kunt stemmen; de drempel wordt een stuk lager.
Conclusie: een democratie in beweging
De ontwikkeling van de opkomst bij verkiezingen in Nederland is een spiegel van onze samenleving. Van een gesloten, verzuilde gemeenschap waar stemmen automatisch ging, naar een open, individualistische maatschappij waar elke stem een bewuste keuze is.
Hoewel de percentages soms dalen, is de kwaliteit van de democratie niet direct slechter. Integendeel, de huidige kiezer is kritischer en beter geïnformeerd dan ooit tevoren. Het is aan de politiek om die betrokkenheid vast te houden.
Of het nu gaat om de waterschappen, de gemeenteraad of de Tweede Kamer: elke stem telt.
En zoals het er nu uitziet, blijven we massaal naar de stembus gaan, zij het met wisselend enthousiasme. Het is een continue cyclus van afwachten, actie ondernemen en weer afwachten. En dat maakt de Nederlandse democratie nou net zo boeiend.