Stel je voor: je zit in de trein van Amsterdam naar Groningen. Kijk eens om je heen.
▶Inhoudsopgave
Wie zit er in de coupe? Waar luistert diegene naar? Over wat praat diegene?
De kans is groot dat je aan een paar details kunt raden wat voor politieke voorkeur die persoon heeft.
Het is niet alleen wat iemand zegt, maar ook hoe ze praten, wat ze lezen en wat ze belangrijk vinden. In Nederland is er één factor die steeds weer opduikt bij het voorspellen van politieke keuzes: opleidingsniveau. Misschien denk je nu: "Is dat niet een beetje kort door de bocht?" Tuurlijk, iedereen is uniek. Maar als we naar de grote getallen kijken, zien we een duidelijk patroon.
Het verschil tussen een vmbo-diploma en een universitaire master blijkt vaak een grotere voorspeller te zijn voor je politieke voorkeur dan waar je geboren bent of hoeveel geld je verdient. Laten we eens duiken in de cijfers en de verhalen achter de data.
De twee werelden: hoogopgeleid versus laagopgeleid
In Nederland hebben we een beetje de neiging om te denken in hokjes. We delen mensen in op basis van wat ze hebben gestudeerd.
Hoewel dit soms ongemakkelijk voelt, is het nuttig om te begrijpen hoe de politieke kaarten geschud zijn.
Als we kijken naar de groep mensen met een universitaire opleiding, zien we een duidelijke voorkeur voor progressieve en linkse partijen. Denk aan partijen zoals GroenLinks-PvdA, D66 en soms ook Volt. Deze groep kiezers maakt zich vaak zorgen over klimaatverandering, de internationale rechtsorde en de emancipatie van minderheden.
Het is een wereld waarin globalisering vaak als positief wordt gezien en waar de focus ligt op toekomstige generaties. Aan de andere kant van het spectrum vinden we de groep met een lagere opleiding, zoals een vmbo- of mbo-diploma.
Hier zien we een sterke voorkeur voor partijen die zich richten op de directe leefomgeving en de portemonnee. Partijen zoals de PVV, het CDA en in mindere mate de BoerBurgerBeweging (BBB) scoren hier hoog. Deze kiezers kijken vaak anders naar de wereld. Zij voelen zich soms vergeten door de "elite" in Den Haag en maken zich meer zorgen over de kosten van boodschappen, de veiligheid in de eigen wijk en de zorg die zij nu nodig hebben, in plaats van problemen die pas over dertig jaar spelen.
Hoe komt dit verschil er eigenlijk?
Het is makkelijk om te zeggen dat hoger opgeleiden "slimmer" zijn, maar dat is echt te simpel. Het gaat niet over intelligentie, maar over levenservaring en wereldbeeld.
Mensen met een universitaire opleiding hebben vaak een paar jaar langer nagedacht over complexe theorieën.
Ze zijn getraind om abstract te denken. Ze zien de wereld als een systeem van oorzaken en gevolgen die ver van hun eigen voordeur verwijderd kunnen zijn. Lagere opleidingen zijn vaak meer praktijkgericht.
Daar leer je vaak een vak in de echte wereld. Je bent bezig met concrete taken: iets repareren, iets bouwen, iemand verzorgen.
De rol van de sociale bubbel
De politieke voorkeur sluit hier vaak bij aan. Er is behoefte aan duidelijkheid, regels die nu werken en een overheid die zichtbaar is. Abstracte concepten zoals "duurzame ontwikkelingsdoelen" voelen dan vaak als iets voor een andere wereld. Het opleidingsniveau bepaalt ook vaak met wie je omgaat.
Op de universiteit ontmoet je vooral andere studenten die plannen maken voor een stage in het buitenland of een carrière bij een groot bedrijf.
In een technische baan op een mbo-opleiding ontmoet je collega's die vaak dichter bij huis blijven en waarde hechten aan traditie en stabiliteit. Deze sociale bubbels versterken de politieke voorkeur. Als iedereen om je heen GroenLinks stemt, is de kans groot dat je je daar comfortabel bij voelt.
En als je in een dorp woont waar iedereen voor de lokale partij of de PVV gaat, voelt dat ook als de normaalste zaak van de wereld. Het is dus niet alleen wat je leert, maar ook wie je ontmoet.
De kloof wordt steeds groter
Wat we nu zien, is dat deze kloof tussen opleidingsniveaus steeds dieper wordt. Vroeger was de scheiding minder scherp. Iedereen las dezelfde krant en keek naar hetzelfde journaal.
Tegenwoordig zijn de informatiestromen compleet anders. Mensen met een hogere opleiding zoeken hun nieuws vaak op platforms zoals NRC of Volkskrant en luisteren naar podcasts over politiek.
Mensen met een lagere opleiding consumeren vaker nieuws via sociale media zoals Facebook, Instagram of YouTube. Hierdoor ontstaan er twee totaal verschillende beelden van de werkelijkheid.
Wat in de ene bubbel als een groot probleem wordt gezien, wordt in de andere bubbel soms niet eens opgemerkt. De coronacrisis was hier een perfect voorbeeld van. De discussie ging vaak niet alleen over de feiten, maar over hoe je naar de feiten keek.
Hoe hoger opgeleid, hoe meer men vertrouwde op instituten zoals het RIVM.
Is het een voorspeller of een oorzaak?
Hoe lager opgeleid, hoe meer men vertrouwde op eigen waarneming en het gevoel dat de overheid te ver ging. De vraag is natuurlijk: wat is de relatie tussen opleidingsniveau en politieke voorkeur, of kies je een opleiding die bij je politieke voorkeur past? Het is waarschijnlijk een mix van beide. Iemand die al van jongs af aan sceptisch staat tegenover gezag en graag met zijn handen werkt, zal minder snel kiezen voor een universitaire studie politicologie.
En iemand die gefascineerd is door klimaatwetenschap, zal eerder geneigd zijn om te gaan studeren. Toch speelt de opleiding een actieve rol.
De manier waarop we lesgeven op universiteiten is vaak kritisch en progressief.
Studenten leren om bestaande structuren ter discussie te stellen. Op het mbo ligt de nadruk meer op het beheersen van vakken en het volgen van regels. Dat vormt je brein voor de manier waarop je later naar politiek kijkt.
De uitzonderingen die de regel bevestigen
Natuurlijk is niet iedereen hetzelfde. Er zijn genoeg hoogopgeleiden die op rechts stemmen en laagopgeleiden die zich inzetten voor het klimaat.
Kijk bijvoorbeeld naar de VVD. Deze partij trekt traditioneel een breed publiek, maar heeft ook veel hoogopgeleide kiezers die economisch belangrijk vinden en minder met progressieve identiteitspolitiek.
En kijk naar de SP (Socialistische Partij). Deze partij probeert de kloof te overbruggen. Ze zijn links in hun economische opvattingen (wat vaak laagopgeleide kiezers aanspreekt), maar conservatief in cultuurzaken (wat hoogopgeleide kiezers soms afschrikt). Toch blijft de algemene trend staan: hoe hoger de opleiding, hoe linkser en progressiever de stem.
Wat betekent dit voor de toekomst?
Deze tweedeling is belangrijk voor hoe Nederland bestuurd wordt. Politieke partijen moeten kiezen welke groep ze aanspreken.
De een focust op de klimaattransitie, de ander op de koopkracht. Dit kan leiden tot een gevoel van "wij tegen zij".
Mensen met een lage opleiding voelen zich soms onderschat door de maatschappij. Mensen met een hoge opleiding voelen zich soms aangevallen omdat hun idealen als "elitair" worden afgeserveerd. Maar het is niet alleen maar kommer en kwel. Het is begrijpelijk waarom deze voorkeuren ontstaan.
Iedereen wil het beste voor zichzelf en zijn omgeving. Het is alleen dat we verschillende problemen zien, afhankelijk van hoe we de wereld bekijken.
Door te begrijpen dat opleidingsniveau een rol speelt, wordt politiek minder persoonlijk. Het is niet dat je buurman een "idioot" is omdat hij op een andere partij stemt. Het komt omdat hij andere ervaringen heeft opgedaan, een andere sociale bubbel heeft en andere prioriteiten stelt.
Als we dat snappen, wordt het gesprek aan de keukentafel of in de trein misschien weer een stuk leuker. En who knows, misschien leer je nog iets van elkaar.